Communicatie en bijna dood ervaringen!

 

Om te kunnen communiceren is het noodzakelijk dat we afspraken maken over de betekenis van de woorden
die we van plan zijn te gaan gebruiken. Deze vorm van afspreken noemen we onze taal!

 

Wanneer we besluiten om mijn auto ‘A…...’ te noemen en jouw auto ‘B…...’,
dan kan er geen misverstand ontstaan wanneer we over onze auto’s een gesprek voeren.

Wanneer we besluiten om mijn lichaam ‘X…...’ te noemen en jouw lichaam ‘Y…...’,
dan kan er geen misverstand ontstaan wanneer we over onze lichamen een gesprek voeren.

Wanneer ‘normale’ mensen IK zegen, dan bedoelen ze het zelf gecreëerde gedachtebeeld, dat ze hebben
als gevolg van identificatie met de individuele interpretatie van zintuiglijke reflexies.

Ons ‘ego’ is het gevolg van identificatie met de individuele interpretatie van zintuiglijke reflexies.

Wanneer ‘normale’ mensen IK zeggen dan bedoelen ze daarmee hun EGO!!!

 

Verwarrend wordt het pas wanneer ik ‘ik’ zeg of wanneer jij ‘ik’ zegt, want dan bedoelen we opeens iets heel anders. Wij hebben beide een totaal ander beeld van ons ‘ik’ en toch zeggen we beide ‘ik’ als we het over ons ‘ego’ hebben en bedoelen daarmee een individueel gedachtebeeld, dat strikt genomen losstaat van het ervaringsvoertuig waarmee we onszelf gewaar worden.

We hebben ons geïdentificeerd met de ervaringen van ons ervaringsvoertuig, ons lichaam.

 

Naar geest (ons ware zelf) zijn we identiek, naar de ziel en vooral naar het lichaam zijn we authentiek.
Identificatie met ons lichaam verschaft ons een interne identiteit, ons ‘ego’ of ‘ik’.

Externe i-dentiteit verschaft ons bovendien de i-Foon , i-Book, i-Mac, i-Tablet etc. Identificatie met onze authenticiteit is slechts een gedachte, een gedachtebeeld dat ons ware zelf overstemd! Onze ziel wordt daardoor foutief geïnformeerd (geprogrammeerd) en dwingt de geest, om deze egoïstische fout te kunnen herstellen, tot reïncarnatie.
Hij laat niet varen, de werken zijner handen!

 

Tijdens een zogenaamde bijna dood ervaring wordt het lichaam en de omgeving waargenomen zonder dat er sprake is van identificatie. Er is op dat moment geen ego of ik dat waarneemt, want ego en ik zijn aan het bewusteloze lichaamsbewustzijn gebonden. Het waarnemen tijdens de bijna dood ervaring is het waarnemen door het ware zelf.
Het ware zelf is tijdens de bijna dood ervaring verlost van de waan van ‘ego’ of ‘ik’ en niet meer beperkt tot het lichaam. Het is dezelfde toestand als tijdens diepslaap met dat verschil dat hier sprake is van het bewust ervaren.
Ook tijdens de diepslaap is het ware zelf verlost van de lichamelijke beperkingen en vrij om te ervaren.
Het ego filtert deze ervaringen gewoon weg, zorgt ervoor dat deze ervaringen onbewust blijven.
Zo eigent zich het ‘ego’, de bijna dood ervaring, bij het ontwaken ogenblikkelijk toe.
Het ‘ego’ is doodsbang voor de ervaring (zelfrealisatie) van het ware zelf, want deze ervaring kan de dood van het ‘ego’ betekenen. Deze ervaring is in werkelijkheid ook de dood van het ‘ego’, de verlichting van de ‘ik’ waan.
Het geloof in deze waan, ziet helaas kans om de mens te overtuigen van zijn bestaansrecht en bij gebrek aan referenties, zal de mens zich neerleggen bij de hel van het ‘ego’, in plaats van de hemel van het ware zelf.
‘Ego’ of ‘ik’ is een gedachtebeeld, dat fungeert als een omgekeerd spamfilter, dat voortdurend kans ziet om het ware zelf uit het bewustzijn te filteren.

 

Pas wanneer wij ik zeggen zonder identificatie en daarmee ons ware zelf bedoelen en ervaren, is communicatie mogelijk! Mijn ware zelf is gelijk aan jouw ware zelf en één met alle andere ware zelven.
Er is maar één ware zelf, één bewustzijn, één onvoorwaardelijk waarnemen!

Jouw ware zelf is onvoorwaardelijk! Jouw bewustzijn en mijn bewustzijn is hetzelfde bewustzijn!
Bewustzijn is niet persoonsgebonden, niet gevangen in een gedachtebeeld, een ‘ik’ of ‘ego’ waan.

Ego of ik is de waan van individualiteit, terwijl ons ware zelf authenticiteit wel zeer toejuicht.

Ego of ik is de waan van iets bijzonders te zijn terwijl we alleen maar een versie van hetzelfde zijn.

Als waarnemingsvoertuig zijn we gescheiden en authentiek, als bewustzijn zijn we één.

De waarnemer, de waarneming en het waargenomene zijn voorwaardelijk, waarnemen is één en onvoorwaardelijk. Alleen de schepper is onvoorwaardelijk, al het geschapene is voorwaardelijk.