Quintessence – Pentagram

Sterrenbeeld Stier, element Aarde

En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo. God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren. En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde. En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

Vele mensen kennen in een of andere vorm en vaak zonder zich de ware achtergrond te beseffen, het begrip van de vier elementen, maar het oude testament, de Pentateuch, dat oorspronkelijke werk van Mozes, als geloofsbasis voor Joden, christenen en moslims bestaat uit vijf boeken. De vier elementen vormen het gematerialiseerde deel van het verhaal maar niets kan vorm aannemen of behouden zonder waargenomen te worden. De vier elementen ontlenen hun recht op bestaan aan het waargenomen worden. Dat waarnemen is de quintessence, de kers op de taart om het eens oneerbiedig te zeggen. Bewustzijn manifesteert zich altijd als drie-éénheid. Deze drie-éénheid vormt de quintessence of dat wat mogelijk maakt waardoor wij waarnemen en bewust zijn. Alleen de mens, geschapen naar beeld en gelijkenis, beschikt over een vrije wil. Met dank aan de vrije wil zijn wij in staat om ervaringen te waarderen en ons met “onze” ervaringen te identificeren.
Dat resulteert weliswaar in een vorm van bewustzijnsvernauwing, bekend als ego, waartegen we braaf “ik” zeggen in de veronderstelling dat we hier met ons ware zelf te maken hebben. In de bijgaande serie pentagram tekeningen wordt helder uiteengezet hoe deze ontwikkeling plaats heeft en waar het probleem zit waardoor
we steeds reïncarneren. Gaat heen en zondigt niet weer!

1. Genesis Het bewustzijn is leeg en daarom is er geen ontwaking.
2. Exodus Het denken is leeg en daarom is er geen weten.
3. Leviticus De wil is leeg en daarom is er geen doen.
4. Numeri De vorm is leeg en daarom zijn er geen moeilijkheden om te onderscheiden.
5. Deuteronomium Het voelen is leeg en daarom is er geen gevoel.

1. Tetraëder / Merkabah Genesis De bron schept polariteit. Bewustzijnstriade
2. Octaëder Exodus Het beloofde land. Vuur
3. Hexaëder Leviticus De huisregels. Lucht
4. Dodecaëder Numeri Het leven op aarde. Aarde
5. icosaëder Deuteronomium De herinnering. Water

De vijf Skandhas of gehechtheden van bewustzijn.

Anattalakkhaṇa Sutta “Het Niet–zelf Kenmerk”
De Gezegende verbleef eens in het Hertenpark van Isipatana, nabij Bārāṇasī.
En daar sprak de Gezegende de groep van vijf monniken als volgt toe: “Monniken!” “Eerwaarde,” antwoordden de monniken. De Gezegende zei dit: Niet–zelf omdat men last ondervindt, geen controle bezit

“Monniken, fysieke vorm is zonder zelf. Als fysieke vorm zelf zou zijn, zou men geen last van fysieke vorm ondervinden. En dit zou dan mogelijk zijn met fysieke vorm: ‘Laat mijn fysieke vorm zó zijn, laat mijn fysieke vorm niet zó zijn.’ Juist omdat fysieke vorm zelfloos is, monniken, daarom ondervindt men last van fysieke vorm, en daarom is dit niet mogelijk met fysieke vorm: ‘Laat mijn fysieke vorm zó zijn, laat mijn fysieke vorm niet zó zijn.’

“Monniken, gevoelens zijn zonder zelf. Als gevoelens zelf zouden zijn, zou men geen last van gevoelens ondervinden. En dit zou dan mogelijk zijn met gevoelens: ‘Laat mijn gevoelens zó zijn, laat mijn gevoelens niet zó zijn.’ Juist omdat gevoelens zelfloos zijn, monniken, daarom ondervindt men last van gevoelens, en daarom is dit niet mogelijk met gevoelens: ‘Laat mijn gevoelens zó zijn, laat mijn gevoelens niet zó zijn.’

“Monniken, percepties zijn zonder zelf. Als percepties zelf zouden zijn, zou men geen last van percepties ondervinden. En dit zou dan mogelijk zijn met percepties: ‘Laat mijn percepties zó zijn, laat mijn percepties niet zó zijn.’ Juist omdat percepties zelfloos zijn, monniken, daarom ondervindt men last van percepties, en daarom is dit niet mogelijk met percepties: ‘Laat mijn percepties zó zijn, laat mijn percepties niet zó zijn.’

“Monniken, vormingen zijn zonder zelf. Als vormingen zelf zouden zijn, zou men geen last van vormingen ondervinden. En dit zou dan mogelijk zijn met vormingen: ‘Laat mijn vormingen zó zijn, laat mijn vormingen niet zó zijn.’ Juist omdat vormingen zelfloos zijn, monniken, daarom ondervindt men last van vormingen, en daarom is dit niet mogelijk met vormingen: ‘Laat mijn vormingen zó zijn, laat mijn vormingen niet zó zijn.’

“Monniken, bewustzijn is zonder zelf. Als bewustzijn zelf zou zijn, zou men geen last van bewustzijn ondervinden. En dit zou dan mogelijk zijn met bewustzijn: ‘Laat mijn bewustzijn zó zijn, laat mijn bewustzijn niet zó zijn.’ Juist omdat bewustzijn zelfloos is, monniken, daarom ondervindt men last van bewustzijn, en daarom is dit niet mogelijk met bewustzijn: ‘Laat mijn bewustzijn zó zijn, laat mijn bewustzijn niet zó zijn.’

Veranderlijk en onbevredigend, dus zelfloos

“Wat denken jullie, monniken? Is fysieke vorm constant of veranderlijk?” “Veranderlijk, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?” “Onbevredigend, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te bezien: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” “Nee, Eerwaarde.”

“Wat denken jullie, monniken? Zijn gevoelens constant of veranderlijk?” “Veranderlijk, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?” “Onbevredigend, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te bezien: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” “Nee, Eerwaarde.”

“Wat denken jullie, monniken? Zijn percepties constant of veranderlijk?” “Veranderlijk, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?” “Onbevredigend, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te bezien: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” “Nee, Eerwaarde.”

“Wat denken jullie, monniken? Zijn vormingen constant of veranderlijk?” “Veranderlijk, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?” “Onbevredigend, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te bezien: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” “Nee, Eerwaarde.”

“Wat denken jullie, monniken? Is bewustzijn constant of veranderlijk?” “Veranderlijk, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?” “Onbevredigend, Eerwaarde.” “En dat wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te bezien: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” “Nee, Eerwaarde.”

Alles correct bezien als zelfloos

“Daarom, monniken, betreffende wat voor fysieke vorm dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: álle fysieke vormen dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt bezien te worden: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’.

“Betreffende wat voor gevoelens dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: álle gevoelens dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt bezien te worden: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’.

“Betreffende wat voor percepties dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: álle percepties dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt bezien te worden: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’.

“Betreffende wat voor vormingen dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: álle vormingen dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt bezien te worden: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’.

“Betreffende wat voor bewustzijn dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: ál het bewustzijn dient met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt bezien te worden: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’.

Resultaat van juist inzicht

“Zo ziend, krijgt een goed onderwezen edele discipel genoeg van fysieke vorm; hij krijgt genoeg van gevoelens; hij krijgt genoeg van percepties; hij krijgt genoeg van vormingen; hij krijgt genoeg van bewustzijn. Als hij er genoeg van heeft, wordt hij passieloos; passieloos, wordt [zijn geest] bevrijd; bevrijd, is er de kennis dat het bevrijd is. Hij beseft: ‘Geboorte is ten einde, het religieuze leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen verdere toestand van bestaan.'”

Zo sprak de Gezegende. En de monniken van de groep van vijf waren tevreden en verheugd met de woorden van de Gezegende. En terwijl deze expositie gegeven werd, werden de harten van de monniken van de groep van vijf door onthechting bevrijd van de corrupties.

De Vedische vijfvoudige eigenschappen van éénheid!

Akasha Tattva (ether of ruimte)
Agni Tattva (vuur)
Aayu Tattva (lucht)
Apas Tattva (water)
Pritvi Tattva (aarde)

De vijf attributen van Brahman, de Absolute Realiteit en spirituele bron van het universum.

  1. Sat (wezen)
  2. Chit (bewustzijn)
  3. Ananda (gelukzaligheid)
  4. Nithya (eeuwigheid)
  5. Paripurna (compleet, volmaakt, geheel, volheid of verzadigd)

“De Vijf Elementen” worden elk geassocieerd met verschillende lichaamsdelen, kwaliteiten en eigenschappen.

  1. Hout – de lever, de galblaas, de ogen en de pezen. Geassocieerd met woede en de kleur groen.
  2. Vuur – het hart, de tong en de polsslag. Geassocieerd met vreugde en de kleur rood.
  3. Aarde – de milt, maag, mond en spieren. Wordt geassocieerd met bezitterigheid en de kleur geel.
  4. Metaal – de longen, neus en huid. Geassocieerd met droefheid en de kleur wit.
  5. Water – de nieren, oren en botten. Geassocieerd met angst en de kleur zwart.

“De Vijf Prana” Elk van de vijf prana’s wordt geassocieerd met een andere functie en richting van stroming.

  1. Prana vayu, die gecentreerd is op het derde oog, hoewel zijn energie zich uitbreidt naar de borststreek. De richting is naar binnen en naar boven. Zo voedt het de hersenen, de ogen en de zintuigen. Prana vayu wordt algemeen beschouwd als de fundamentele energie van waaruit de andere vier worden gecreëerd en gevoed.
  2. Apana vayu bevindt zich in de bekkenbodem, maar doortrekt de onderbuik. Hij stroomt naar beneden en naar buiten, en wordt dus in verband gebracht met de spijsverteringsorganen, alsook met de voortplanting. Het regelt de eliminatie van alle afvalstoffen uit het lichaam.
  3. Vyana vayu concentreert zich op het hart en de longen, maar stroomt door het hele lichaam. De stroming beweegt zich van het midden van het lichaam naar de buitenkant. Het wordt geassocieerd met circulatie en het assisteren van de functie van de andere soorten prana.
  4. Udana vayu bevindt zich in de keel en zijn stroom circuleert door het hoofd en de nek. Het wordt geassocieerd met de functies van spraak, expressie en groei.
  5. Samana vayu centreert zich op de navel, maar zijn stroom beweegt van de periferie van het lichaam in de richting van het centrum. Het is nodig voor de assimilatie van alle dingen, inclusief lucht, voeding, ervaringen, gevoelens en gedachten.

Annamaya kosha het fysieke lichaam

  1. Sthula (fysiek) – waar men zich de smaak en het belang van voedsel realiseert
  2. Sukshma (subtiel) – waar het belang en het effect van voedsel wordt gevoeld
  3. Karana (causaal) – waarin de mentale indrukken (of samskara’s) van voedsel worden bewaard

Pranamaya kosha het energielichaam
Manomaya kosha het mentale lichaam
Vijnanamaya kosha het wijsheidslichaam
Anandamaya Kosha het gelukzaligheidslichaam

“Anicca” Deze vijf toestanden van anicca zijn:

  1. Rupa het fysieke lichaam
  2. Vedana de zintuigen en gewaarwordingen
  3. Samjna waarnemingen
  4. Samskara ervaringen en vrijwillige handelingen
  5. Vijnana bewustzijn

“Anu vratas” De anu vratas bestaan uit:

  1. Ahima – een gelofte om geen kwaad of letsel toe te brengen.
  2. Satya – een gelofte om waarheidsgetrouw te zijn.
  3. Asteya – ook wel acaurya genoemd, dit is een gelofte om niet te stelen.
  4. Brahmacharya – een gelofte van celibaat voor asceten of kuisheid voor leken.
  5. Parigraha parimana – een gelofte om gehechtheid aan wereldse bezittingen te beperken.

“Arupa Jhana” Mediteren op zijn. De vier Arupa Jhana’s plus de samenvattende vijfde Jhana.

  1. Vitarka Jhana (het bedenken en opmerken van het object van meditatie)
  2. Vichara Jhana (het ervaren en vasthouden van de mentale focus op het object)
  3. Priti Jhana (meditatieve vreugde en verrukking)
  4. Sukha Jhana (gelukzaligheid en meditatief geluk)
  5. Catuttha Jhana (vat voorgaande Jhana’s samen als mindfulness gezuiverd door gelijkmoedigheid

“Ashuddha Tattvas” De ashuddha tattvas, ook wel de onzuivere werkelijkheden genoemd, omvatten:

  1. Vier manifestaties, antakaranas – prakriti (energie van de ziel), buddhi (intuïtie), ahamkara (ego) en manas (geest)
  2. Vijf cognitieve zintuigen, jnanendriyas, ghrana (neus), caksu (oog), rasana (tong), tvak (huid) en srotra (oor)
  3. Vijf actieorganen, karmendriya’s payu (anus), upashta (geslachtsorganen), pada (benen), pani (handen), vak (mond)
  4. Vijf gewaarwordingen, tanmatras – gandha (geur), rupa (vorm), rasa (smaak), sparsa (aanraking) en sabda (geluid)
  5. Vijf elementen van materie, mahabhutas – prithvi (aarde), tejas (vuur), jala (water), vayu (lucht) en akasa (ether)

“Asmita” Volgens de Yoga filosofie is asmita de tweede van de vijf kleshas, ook bekend als obstakels of sluiers die het ware zelf verbergen. Deze vijf kleshas zijn:

  1. Avidya – begoocheling of onwetendheid die het hogere Zelf verduistert
  2. Asmita – egoïsme, waarbij fysieke, emotionele en mentale aspecten van de geest en het lichaam
    worden aangezien voor het ware Zelf.
  3. Raga – gehechtheid, verwijzend naar het verlangen naar materiële objecten, relaties, status en macht
  4. Dvesha – afkeer van onplezierige dingen, mensen en ervaringen
  5. Abhinivesha – angst, of meer specifiek angst voor de dood en onwetende vastklampen aan het leven

“Bhav” kan opgesplitst worden in verschillende types, afhankelijk van de traditie en filosofie.

  1. Sant bhav (vreedzaam, zuiver)
  2. Dasya bhav (meester-dienaar relatie)
  3. Sakhya bhav (goddelijke vriendschap)
  4. Vatsalya bhav (bewustzijn van God als een kind dat liefde en zorg nodig heeft)
  5. Madhurya bhav (diepe, hartstochtelijke liefde)

“Bhava” is toewijding aan God door middel van dienstbaarheid.

  1. Dasya bhava is ( dienstbaarheid) God is de meester en hij/zij is de dienaar.
  2. Santa bhava (vreedzaam)
  3. Madhurya, of kanta, bhava (houding van romantische liefde)
  4. Vatsalya bhava (in rolomkering, ouderlijke liefde voor God)
  5. Sakhya bhava (goddelijke vriendschap)

“Chikitsa” Sanskriet term gedefinieerd als “therapie,” maar ook opgevat als de toepassing van bewustzijn of zorgzaamheid. Chikitsa kan worden onderverdeeld in verschillende subtypes:

  1. Shodhana Chikitsa- behandelingen die zich richten op ontgifting, zuivering en eliminatie van overtollige doshas
  2. Shamana Chikitsa – palliatieve behandelingen die gebruikt worden om symptomen aan te pakken
  3. Ahara Chikitsa – op voedsel gebaseerde behandelingen
  4. Rasayana Chikitsa – verjongingstherapie
  5. Sattavajaya Chikitsa – psychologische therapie

“Citta Vritti” is een term die verwijst naar de gedachten die de geest vertroebelen.

  1. Pramana Vritti (juiste kennis)
  2. Viparyaya Vritti (misvatting)
  3. Vikalpa Vritti (conceptualisatie)
  4. Nidra Vritti (slaap)
  5. Smriti Vritti (geheugen)

“Deva” is een Sanskit woord dat “godheid” betekent.

  1. Vanadevatas (bosgeesten)
  2. Devata lokapala (bewakers van de richtingen)
  3. Gramadevata (dorpsgoden)
  4. Kula devata (familie goden)
  5. Ishta devata (gekozen godheden)

“Dharmadhatu” Belangrijk begrip in de vijf wijsheden van het Tibetaans boeddhisme en vormt er het eerste van.

  1. Dharmadhatu wijsheid
  2. Spiegelachtige wijsheid
  3. Gelijkheidswijsheid
  4. Onderscheidende wijsheid
  5. Al-voltooide wijsheid

“Dravya” is een Sanskriet woord dat “substanties” of “entiteiten” betekent.

Volgens de Jains is dravya samengesteld uit vijf eeuwige categorieën van zijn, bekend als astikayas.

  1. Dharma – een morele deugd en datgene wat wezens in staat stelt te bewegen
  2. Adharma – het medium van rust en datgene wat wezens in staat stelt om te stoppen met bewegen
  3. Akasha – de ruimte waarin alles bestaat.
  4. Pudgala – materie
  5. Jiva – de ziel

Jnanendriya of vijf zintuigorganen worden beschouwd als sattvische extensies van de lagere geest of manas

  1. ghrana – neus/geurzin
  2. rasana – tong/smaak
  3. chakshu – ogen/zicht
  4. tvak – huid/aanraking
  5. srotra – oren/horen

Karmendriya of vijf motorische organen en vertegenwoordigen de manier waarop de ziel in wisselwerking staat met het universum om haar heen. Ze komen elk overeen met een zintuig, en zijn rajasische functies van manas.

  1. vak – stem/spraak
  2. pani – hand/grijpen
  3. pada – voet/lopen
  4. payu – anus/excretie
  5. upastha – geslachtsorgaan/voortplanting

“Kleshas” Negatieve mentale toestand die de geest vertroebelt en lijden en de voorwaarden voor het ontstaan van lijden veroorzaakt.De vijf kleshas die door Patanjali worden genoemd zijn:

  1. Avidya (waan of onwetendheid) is de eerste van de kleshas omdat het de basis is voor de anderen.
    Door avidya te vernietigen, vormen de andere kleshas niet langer een obstakel. Avidya verduistert het hogere Zelf door het stevig vestigen van negatieve gewoonten en het voorkomen van verandering.
  2. Asmita (egoïsme) is de gehechtheid aan het ego en het werkelijkheidsgevoel van het ego.
    Het is het verwarren van de fysieke, emotionele en mentale aspecten van het geest-lichaam met het ware Zelf.
  3. Raga (gehechtheid) is het verlangen naar materiële objecten, relaties, status, macht of
    andere niet-geëvolueerde verlangens.
  4. Dvesha (afkeer) is afkeer van onaangename dingen, mensen en ervaringen.
  5. Abhinivesha (wil om te leven) is de angst voor de dood en het verlangen om te leven,
    zelfs als het leven gevuld is met ellende.

“Koshas” zijn de vijf lagen van bewustzijn die de Atman, of het ware Zelf, verhullen.

Zoals beschreven in de Upanishads, zijn de vijf koshas als volgt geordend:

  1. Annamaya kosha (voedsel) – Deze buitenste kosha voedt het fysieke lichaam en onderhoudt de andere koshas.
    In yoga kunnen asana’s deze kosha beïnvloeden door het lichaam te voeden.
  2. Pranamaya kosha (energie) – Deze kosha regelt de stroom van prana (levenskrachtenergie) door het lichaam
    via de nadi’s (energiekanalen) en de chakra’s (intense punten van energie).
    In yoga hebben zowel asana’s als pranayama (ademhalingsoefeningen) invloed op deze kosha.
  3. Manomaya kosha (geest) – Manomaya is de kosha die gedachten en emoties bevat en controleert.
    Verschillende aspecten van yoga beoefening beïnvloeden deze kosha.
    Bijvoorbeeld, meditatie en alternatieve neusgat ademhaling kan de geest kalmeren.
  4. Vijnanamaya kosha (intuïtie) – Deze kosha is verbonden met een dieper niveau van intuïtie en innerlijke wijsheid.
    In yoga hebben meditatie en meditatieve asana’s invloed op deze kosha.
  5. Anandamaya kosha (gelukzaligheid) – De diepste laag, deze kosha bevat extase, liefde en vreugde.
    Sommige tradities verwijzen naar deze laag als het ware Zelf,
    terwijl anderen geloven dat deze kosha de deur opent naar het ware Zelf.

“Manas” De zintuiglijke of verwerkende geest” betekent of wat ook bekend kan staan als het “zesde zintuig.

  1. Kshipta – Een staat van waakzaamheid waarin de aandacht gemakkelijk kan worden verlegd
    van het ene object of onderwerp naar het andere.
  2. Vikshipta – Een toestand waarin manas een breed scala aan informatie verwerkt
    zonder de mogelijkheid om zich op één object te richten.
  3. Mudha – Een toestand waarin het manas afgestompt is en niet op zoek is naar nieuwe kennis.
  4. Ekagrata – Een staat waarin manas gefocust is op één object en gefocust blijft zonder afgeleid te worden.
  5. Niruddha – De staat waarin de geest volledig onder controle is en spirituele verheffing is bereikt.

“Mandala” Een mandala is een geometrisch ontwerp, vaak cirkelvormig, dat het universum symboliseert.

  1. Vierkant = stabiliteit en evenwicht
  2. Ster = spiritualiteit en vrijheid
  3. Cirkel = heelheid, integriteit, eenheid
  4. Driehoek naar boven gericht = aspiraties naar het universele
  5. Driehoek naar beneden gericht = aspiraties naar het aardse

Ook kleuren hebben betekenis:

  1. Groen = natuur, groei en hoop
  2. Wit = zuiverheid, eenheid
  3. Blauw = bescherming, rust
  4. Rood = vuur, passie
  5. Geel = kracht, licht, vreugde

Mahabhuta of vijf bruto elementen en zijn de basis voor de manifestatie van de fysieke wereld.

  1. prithvi – aarde
  2. jala – water
  3. tejas – vuur
  4. vayu – lucht
  5. akasa – ether

“Namaha” is een Sanskriet term, vaak gebruikt binnen mantra’s als een nederige groet.

Enkele voorbeelden van populaire mantra’s waarin namaha voorkomt zijn:

  1. Om Namaha Shivaya – een van de bekendste mantra’s, vertaald als ‘Ik buig voor Heer Shiva,’ en symbolisch voor het eren van het goddelijke binnenin. In deze mantra wordt namaha vaak uitgesproken als namah.
  2. Om Gam Ganapataye Namaha – een mantra ter ere van Heer Ganesh, die respect betuigt en zijn energie aanroept als de verwijderaar van obstakels.
  3. Om Sri Kali Durgaya Namaha – wordt gebruikt om negativiteit te verdrijven en bescherming te bieden. Namaha wordt in deze mantra gebruikt om respect te tonen aan de krijgersgodin, Durga.
  4. Om Sri Ramaya Namaha – een mantra om Heer Rama, incarnatie van Vishnu, te eren. Namaha is een groet aan Rama om de beoefenaar te verbinden met de Goddelijke waarheid.
  5. Om Namo Namaha – een mantra van respect, gebruikt als een middel om nederigheid te bieden aan elke kracht groter dan onszelf.

“Nishkama karma” verwijst naar onzelfzuchtige handelingen. De vijf categorieën van nishkama karma zijn:

  1. Aanbidding van God
  2. Aanbidding van ouders en voorvaderen
  3. Aanbidding van geschriften en wijzen
  4. Aanbidding van de mens
  5. Aanbidding van alle andere levende wezens

“Nitya” Eeuwig of permanent. De nitya karmas kunnen dagelijkse plichten omvatten zoals:

  1. Snana (baden)
  2. Sandhyavandanam (religieus ritueel op bepaalde tijdstippen van de dag)
  3. Aupasanam (vuuroffer)
  4. Agnihotram (verwarmd melkoffer)
  5. Japa (reciteren van mantra’s)

“Niyama’s” Deze niyamas zijn alle praktijken die kunnen worden beschouwd als innerlijke waarnemingen.

In het acht-ledige pad van yoga zoals geschetst door Patanjali, worden de vijf niyamas als volgt opgesomd:

  1. Saucha: zuivering, reinheid en helderheid van geest, communicatie en fysiek lichaam. Dit erkent dat de externe omgeving van de yogi zijn/haar innerlijke zuiverheid beïnvloedt. Oefeningen zoals meditatie kunnen helpen om de zuiverheid van geest te cultiveren die door saucha wordt gespecificeerd.
  2. Santosha: tevredenheid en acceptatie van de wereld, zichzelf en de omstandigheden precies zoals ze zijn. Dit betekent het loslaten van verlangens naar wat men niet heeft. Door dit te doen wordt naar verluidt een einde gemaakt aan iemands lijden.
  3. Tapas: ascese of intense zelfdiscipline en wilskracht, zelfs door ongemak heen. Dit erkent de noodzaak om soms te doen wat moeilijk of onaangenaam is om een positief effect te hebben op iemands leven en bestaan.
  4. Svadhyaha: studie van het zelf, en de beoefening van zelfreflectie. Dit kan het gebruik van de geschriften of heilige teksten als een instrument voor introspectie omvatten. Het betekent zien wie men is in het moment en ook het onderzoeken van de verbinding met het Goddelijke.
  5. Ishvara Pranidhana: overgave aan en contemplatie van het Goddelijke of Opperwezen. Dit omvat het opdragen en toewijden van het eigen werk aan een hogere macht en het oplossen van ego-gerichte verlangens.

“Pancha Makara” Wordt beschouwd als de vereniging van mannelijke en vrouwelijke energieën.

  1. Madya – Wijn
  2. Matsya – Vis
  3. Mamsa – Vlees
  4. Mudra – Gedroogd graan
  5. Maithuna – Geslachtsgemeenschap

“Pancha” is een Sanskriet woord dat “vijf” betekent. Enkele van de belangrijkste pancha concepten zijn:

  1. Pancha jnanendriyas (vijf zintuigelijke organen) – neus, tong, ogen, huid en oren.
  2. Pancha tanmatra (vijf subtiele elementen/energieën) – reuk, smaak, tast, zicht en gehoor.
  3. Pancha klesha (vijf obstakels) – onwetendheid, egoïsme, begeerte, afkeer en vastklampen aan het leven.
    Zij blokkeren spirituele groei en veroorzaken lijden.
  4. Pancha karma indriyas (vijf actieorganen) – geslachtsorganen, uitscheidingsorganen, benen, handen
    en de organen van de spraak.
  5. Pancha kosha (vijf omhulsels/lagen van de ziel) – voedsel, lucht (levenskracht), geest-emoties,
    kennis en gelukzaligheid.
  6. Panchakarma (vijf ontgiftingsbehandelingen) – vamana, virechana, basti, nasya en raktamokshana.

“Pancha Kosha” Het concept dat er vijf lagen van bewustzijn zijn waardoor alle ervaring wordt gefilterd.

  1. Annamaya kosha (de voedsellaag) – de buitenste kosha, verwijzend naar het fysieke lichaam dat voedsel en voeding nodig heeft om te gedijen. Het wordt verondersteld de meest kwetsbare kosha te zijn, omdat problemen met het fysieke lichaam zich kunnen manifesteren als onevenwichtigheden in de andere lagen. Asana beoefening, veranderingen in dieet en slaapkwaliteit hebben allemaal invloed op de annamaya kosha.
  2. Pranamaya kosha (de laag van vitale levenskrachtenergie) – nauw verbonden met annamaya kosha, is deze schede verantwoordelijk voor het bezielen van het fysieke lichaam. Pranamaya kosha is samengesteld uit prana (levenskrachtenergie) en wordt sterk beïnvloed door pranayama (ademwerk).
  3. Manomaya kosha (de mentale of psychologische laag) – verwijzend naar het aspect van de geest dat de perceptie van de wereld regelt. Manomaya kosha is waar iemands gevoel van het Zelf zich ontwikkelt, samen met de gewoonten van het denken die het gedrag beïnvloeden. Mindfulness is de meest effectieve manier om de manomaya kosha te beïnvloeden.
  4. Vijnanamaya kosha (de intellect laag) – deze schede is de zetel van intuïtie, verbonden met innerlijke wijsheid en diepere staten van bewustzijn. Het is ook verantwoordelijk voor innerlijke groei en authenticiteit, en wordt beïnvloed door alle aspecten van yoga.
  5. Anandamaya kosha (de gelukzaligheidslaag ) – ook bekend als het gelukzaligheidslichaam, deze kosha staat het dichtst bij atman. Het overstijgt de logische, denkende geest en biedt een ervaring van eenheid met het universele bewustzijn. Dagelijkse meditatie kan helpen om beoefenaars te verbinden met anandamaya kosha.

“Pancha Tanmatra” zijn de vijf waarnemingen of subtiele elementen die de objecten zijn van de vijf zintuigen. Pancha Tanmatra vormen samen de grove elementen waaruit het universum is opgebouwd:

Akasha, Het element Ether uit geluid. Shabda (geluid) Srotra (oor)
Vayu, Het element Lucht uit geluid en aanraking Gnadha (geur) Ghrana (neus)
Tej, Het element Vuur uit geluid, aanraking en zicht Sparsha (aanraking) Tvak (huid) Jala, Het element Water uit geluid, aanraking, zicht en smaak Rasa (smaak)
Rasana (tong) Prithvi, Het element Aarde uit alle vijf tanmatra Roopa (vorm) Caksu (ogen)

“Pancha Tattva” zijn de vijf aspecten van de Absolute Waarheid, of God.
De vijf mensen die de incarnatie van pancha tattva vormden waren:

  1. Chaitanya Mahaprabhu – beschouwd als de opperste toegewijde of Krishna zelf.
  2. Nityananda Prabhu – de eerste persoonlijke expansie van Krishna,
    gecombineerd met de kracht van Balarama, Krishna’s oudere broer.
  3. Advaita Acharya – de incarnatie of versmolten vorm van zowel Vishnu als Shiva gecombineerd,
    soms bekend als Harihara.
  4. Gadadhara Pandita – de versmolten incarnatie van Lalita, Radha en Krishna’s eigen energie.
  5. Srivasa Thakura – de pure toegewijde van Krishna, die devotie symboliseert.

“Pathama Jhana” is het eerste van een reeks opeenvolgende meditatieniveaus in het boeddhisme.

Pathama jhana bestaat uit vijf factoren:

  1. Vitarka (mentaal bedenken/denken)
  2. Vichara (het vasthouden van de mentale focus)
  3. Priti (meditatieve vreugde)
  4. Sukha (meditatief geluk)
  5. Ekagrata (eenzijdige concentratie)

“Sadhaka Pitta” Subtype van pitta dosha in Ayurveda, verantwoordelijk voor het besturen van hart en geest.

Pitta is de dosha die wordt geassocieerd met vuur, en binnen pitta zouden er vijf subtypes van vuur zijn:

  1. Sadhaka Pitta – vuur van het hart en de geest
  2. Alochaka Pitta – vuur van het zicht en de visuele waarneming
  3. Pachaka Pitta – spijsverteringsvuur
  4. Bhrajaka Pitta – vuur dat glans/glans van de huid veroorzaakt
  5. Ranjaka Pitta – vuur dat een gezonde kleur geeft aan bloed/lever/uitscheidingsorganen

“Salamba” is een Sanskriet woord dat “ondersteunen” betekent. Yoga houdingen met ondersteuning.

  1. Salamba kapotasana (ondersteunde duif) – een halve split met de handen op de grond geplaatst ter ondersteuning
  2. Salamba sarvangasana (ondersteunde schouderstand) – de bovenarmen rusten op de grond en
    de handen rusten op de onderrug
  3. Salamba bhujangasana (ondersteunde cobra, of sfinx) – de onderarmen bieden steun voor de ruggesteun
  4. Salamba sirsasana (ondersteunde hoofdstand) – de onderarmen en ineengestrengelde handen vormen
    een soort mand om het hoofd te ondersteunen en balans te geven
  5. Salamba balasana (ondersteunde kinderhouding) – de romp en het hoofd rusten op een steun,
    meestal een opgerolde deken of meerdere dekens

“Skandhas” (kosmische elementen) waaruit de wereld is samengesteld.

  1. Dvesa (haat)
  2. Moha (begoocheling)
  3. Raga (gehechtheid)
  4. Cintamani (wensvervullende edelsteen)
  5. Samaya (overeenkomst)

“Skandha’s” De vijf geaggregeerde toestanden van het bestaan, hoewel de interpretatie van deze toestanden varieert naargelang de specifieke school of traditie van het boeddhisme.

  1. Rupa – vorm of het fysieke lichaam
  2. Vedana – gewaarwordingen, gevoelens en emoties zoals waargenomen door de zintuigen
  3. Samjna – waarneming, redenering en herkenning van zowel concepten als fysieke objecten
  4. Samskara – mentale formaties of activiteit, met inbegrip van vooroordelen, verlangens en overtuigingen
  5. Vijnana – bewustzijn of gewaarzijn van vedana, samjna en samskara

“Stotra” is een Sanskriet woord dat “lofzang”, “lofzang”, “lofzang”, “ode” en “lofrede” betekent.

  1. Shiva Tandava Stotram (een stotra naar Shiva’s kracht en schoonheid)
  2. Shiv Mahimna Stotra (een devotie voor Shiva)
  3. Ram Raksha Stotra (een smeekbede aan Rama voor bescherming)
  4. Agasti Lakshmi Stotra (lofzang op Lakshmi, godin van rijkdom en overvloed)
  5. Dvadasha Stotra (een serie van 12 stotra’s ter ere van Vishnu)

“Sub-Dosha” Binnen elk van de drie dosha’s van Ayurveda zijn er vijf sub-dosha’s.

De vijf sub-doshas van Vata zijn:

  1. Prana Vata – regelt de inademing, de zintuiglijke waarneming en de beweging van de geest.
  2. Udana Vata – regelt de uitademing, spraak, zelfexpressie en de beweging van het middenrif.
  3. Samana Vata – regelt de spijsvertering en de beweging van de dunne darm.
  4. Vyana Vata – regelt de bloedsomloop, de hartslag en de bewegingen van de gewrichten en spieren.
  5. Apana Vata – regelt de neerwaartse impulsen, zoals urineren, menstruatie en eliminatie.

De vijf sub-doshas van Pitta zijn:

  1. Pachaka Pitta – regelt de vertering van voedsel in voedingsstoffen en afvalstoffen.
  2. Ranjaka Pitta – regelt de vorming van rode bloedcellen, witte bloedcellen en gal.
  3. Sadhaka Pitta – regelt emoties en zet gewaarwordingen om in gevoelens. Verantwoordelijk voor ego en “ik”.
  4. Alochaka Pitta – regelt visuele perceptie en gezondheid van de ogen.
  5. Bharajaka Pitta – regelt kleur, temperatuur en teint van de huid.

De vijf sub-doshas van Kapha zijn:

  1. Kledaka Kapha – regelt het vloeibaar maken van voedsel in de eerste stadia van de spijsvertering,
    en hydrateert cellen en weefsels.
  2. Avalambhaka Kapha – regelt de smering van hart en longen.
  3. Bodhaka Kapha – regelt het speeksel en de smaakwaarneming.
  4. Tarpaka Kapha – regelt de stabiliteit in de zenuwcellen, en verantwoordelijk voor het gevoel van tevredenheid.
  5. Shleshaka Kapha – regelt de smering van de gewrichten en beschermt de botten tegen slijtage.

“Tanmatra” De vijf objecten van perceptie, bestaande uit de vijf subtiele elementen: geluid, tast, zicht of vorm, smaak en reuk. De vijf tanmatra’s zijn de manier waarop mensen de objectieve, tastbare wereld gewaarworden.

  1. Shabda Tanmatra – etherelement, geassocieerd met geluid
  2. Sparsha Tanmatra – element lucht, geassocieerd met geluid en tast
  3. Rupa Tanmatra – element vuur, verbonden met geluid, tast en zicht
  4. Rasa Tanmatra – element water, geassocieerd met geluid, tast, zicht en smaak
  5. Gandha Tanmatra – aarde-element, verbonden met geluid, tast, zicht, smaak en reuk

“De Vijf Zuivere Tattvas” zijn:

  1. Shiva of sakala tattva – Dit is de hoogste werkelijkheid, die van puur en oneindig bewustzijn. Het is Shiva zelf, de staat van vereniging met het Absolute.
  2. Shakti tattva – Dit is ook een aspect van Shiva. Het is pure gelukzaligheid en vreugde, en brengt de creatie van de rest van de tattva’s voort.
  3. Sadashiva tattva – Ook bekend als sadakya of nada tattva, dit is pure wilskracht en het aspect dat het verschijnen van het Zelf veroorzaakt.
  4. Ishvara, of bindu, tattva – Dit is de goddelijke kennis die de schepping van het universum bedenkt. Het is ook de werkelijkheid waar begoocheling en verhulling zich voordoen.
  5. Satvidya tattva – Ook bekend als shuddhavidya of kriya tattva, dit is het niveau van pure en oneindige actie. Shiva kan zich in elke vorm manifesteren. Het universum is spiritueel in deze realiteit en wordt bewoond door godheden, siddha’s (verlichte yogi’s), rishi’s (wijzen) en sadhu’s (heiligen).

“Vayu” De vijf elementen – vuur, aarde, water, lucht (wind) en ether – voorgesteld als goden.

  1. Prana vayu – Bevindt zich in het hoofd, dit is de fundamentele energie.
    Regelt de ontvangst van alles, van lucht tot voedsel, van zintuigen tot gedachten.
  2. Apana vayu – Actief in de bekken- en onderbuikgebieden.
    Verbetert de spijsvertering, de eliminatie en de voortplanting.
  3. Vyana vayu – Regeert het hart en de longen, en ondersteunt de functie van andere vayus.
  4. Udana vayu – Gesitueerd in de keelstreek. Bevordert zelfexpressie en groei.
  5. Samana vayu – Aanwezig in de onderbuik met de navel als energiebasis.
    Regelt de spijsvertering van alles, van voedsel tot gedachten.

“Vrittis”, of de schommelingen van de geest, zijn van vijf soorten, als volgt:

  1. Pramana (juiste kennis) – Een toestand waarin de geest de werkelijkheid weerspiegelt
  2. Viparyaya (misvatting) – Een toestand waarin de geest een verkeerd oordeel velt, dat na verloop van tijd wordt vervangen door juiste kennis
  3. Vikalpa (verbeelding of gevoel) – Verwijst naar het begrijpen van de werkelijke situatie, hoewel woorden niet direct betrekking hebben op de situatie
  4. Nidra (diepe slaap) – De geestestoestand die bestaat wanneer men slaapt
  5. Smriti (geheugen) – Dat wat in de geest is opgeslagen

“Yamas” In De Acht Ledematen van Yoga zoals geschetst door Patanjali, zijn de vijf yama’s:

  1. Ahimsa: geweldloosheid of het niet kwetsen van alle schepselen, inclusief onszelf. Fysiek, mentaal en emotioneel geweld moeten allemaal vermeden worden en als zodanig wordt ahimsa vaak beschouwd als een leidraad voor yogi’s om mededogen te beoefenen en niet te oordelen als een hulpmiddel om geweldloosheid te cultiveren.
  2. Satya: waarachtigheid of eerlijkheid in woorden en daden. Het is belangrijk dat deze beoefend wordt naast de eerste yama van geweldloosheid omdat de noodzaak om de waarheid te spreken in evenwicht moet zijn met de noodzaak om een ander geen kwaad te doen.
  3. Asteya: het niet stelen van andermans eigendom of tijd. Dit betekent niets nemen wat niet vrijelijk en vrijwillig is gegeven, en omvat niet het plegen van of medeplichtig zijn aan diefstal, uitbuiting of onderdrukking.
  4. Brahmacharya: kuisheid, die ook kan worden geïnterpreteerd als seksuele terughoudendheid of huwelijkse trouw.
    Dit kan ook worden beschouwd als continentie of matiging in alle impulsen van de yogi, niet alleen de seksuele. Brahmacharya wordt verondersteld de yogi te helpen gezonder, wijzer en sterker te worden, omdat er wordt gezegd dat het energie zal bewaren, die beter kan worden aangewend om hogere spirituele doelen te bereiken.
  5. Aparigraha: het niet-kunnen-geven. Dit is een praktijk van het loslaten van alles wat niet nodig is en alleen te bezitten wat volledig noodzakelijk is. Er wordt gezegd dat dit de yogi helpt om het enige te zien wat hij/zij werkelijk heeft, Atman (ware Zelf), zonder de afleiding van het vasthouden aan bezittingen.

De vijf niyama’s omvatten:

  1. Shaucha (zuiverheid) – Het handhaven van zuiverheid van geest en lichaam.
  2. Santosha (tevredenheid) – Het accepteren van anderen en van de eigen omstandigheden.
  3. Tapas (zelfdiscipline) – Het beoefenen van intense zelfbeheersing en wilskracht.
  4. Svadhyaya (zelfstudie) – Reflecteren op en bestuderen van het zelf,
    waardoor het individu zijn eigen ware en goddelijke aard kan zien.
  5. Ishvara Pranidhana (devotie) – Het overdenken van en zich overgeven aan het Goddelijke of een hogere macht.
  1. Pyare (liefde)
  2. Sat (waarheid)
  3. Daya (mededogen)
  4. Nimrata (nederigheid)
  5. Santokh (tevredenheid)