Tienheden – Tienden

Sterrenbeeld Boogschutter, element Vuur

In de Bijbel, Deuteronomium 12:11, wordt al gesproken over het afdragen van 1/10 van de oogst aan de Joodse Tempel. Wanneer vermogenstoename, goederen handel, handelsbanken en centrale geldbanken mondiaal met slechts 10% belast zouden worden, dan zou daarmee de hele wereldarmoede en de milieuproblematiek opgelost kunnen worden. Bovendien zou daardoor elke andere vorm van belasting nodeloos gecompliceerd en overbodig worden. Waar een wil is, is een weg!

Na de Vedische tienvoudige eigenschappen van éénheid,
een tweetal citaten uit het boek “De stof waarvan dromen gemaakt zijn”
van Johannes Mario Simmel over de huidige menselijke samenleving en
waarom het eenvoudig oplossen van onze problemen zo’n moeizaam proces is.

De Vedische tienvoudige eigenschappen van éénheid!

“Bhumis”, of landen waar de bodhisattva doorheen moet reizen op zijn/haar reis om een boeddha te worden.

  1. Pramudita, of land van vreugde.
  2. Vimala, of het land van mededogen. de bodhisattva krijgt hier mededogen voor alle levende wezens.
  3. Prabhakari, oftewel het stralende land waarin hogere kennis straalt.
  4. Archismati, of land van schittering waarin valse denkbeelden worden weggebrand.
  5. Sudurjaya, of het land dat moeilijk te beheersen is. Dit stadium impliceert diepe meditatie.
  6. Abhimukhi, of het stadium van manifesteren, waarin de bodhisattva volmaaktheid van wijsheid vindt.
  7. Durangama, of het land ver weg. In dit stadium verwerft de bodhisattva het vermogen om anderen te helpen verlichting te bereiken.
  8. Achala, of onbeweeglijk land waarin de geest van de bodhisattva volledig is geabsorbeerd en niet kan worden beïnvloed door afleidingen van buitenaf.
  9. Sadhumati, of goede wijsheid. In dit stadium worden alle dharmas begrepen.
  10. Dharmamegha, of dharmawolken. Dit is het laatste stadium waarin buddhahood wordt verkregen.

“Dasha Mahavidya” is een van de 10 wijsheidsgodinnen van het Hindoeïsme.

  1. Kali – de godin die kracht en vernietiging vertegenwoordigt.
  2. Tara – de godin van mededogen en bescherming.
  3. Tripurasundari of Shodashi – de godin van rijkdom en schoonheid.
  4. Bhuvaneshvari – heerser van het universum en bron van de schepping.
  5. Bhairavi – het angstaanjagende aspect van de godin die ook de kundalini-energie vertegenwoordigt.
  6. Chhinnamasta – de godin die zichzelf onthoofdde en die transformatie vertegenwoordigt.
  7. Dhumavati – de weduwegodin die de dood vertegenwoordigt.
  8. Bagalamukhi – de godin die haar vijanden verlamt. Geassocieerd met yogische paranormale krachten, of siddhi’s.
  9. Matangi – bekend als de Tantra vorm van Saraswati, de godin van de kennis en de kunsten.
  10. Kamala – bekend als de Tantra vorm van Lakshmi, de godin van rijkdom en overvloed.

“Dashavatara” De 10 belangrijkste incarnaties van de Hindoe-god Vishnu.

De avatars die samen de Dashavatara vormen variëren per regio en traditie, maar omvatten meestal:

  1. Matsya – de vis
  2. Koorma – de schildpad
  3. Varaaha – het zwijn
  4. Narasimha – de leeuw, of de machtige
  5. Vamana – de dwerg
  6. Parasurama – de boze man
  7. Rama – de heldhaftige of volmaakte man
  8. Balarama – Krishna’s oudere broer
  9. Krishna – de goddelijke diplomaat en staatsman
  10. Kalki – de machtige krijger, die nog moet verschijnen

“Niyama’s” Plichten of morele observaties:

  1. Dana – een vorm van vrijgevig geven zonder dat er iets tegenover staat.
  2. Santosa – tevredenheid en aanvaarding van de omstandigheden
  3. Svadhyaya – zelfstudie
  4. Tapa – verzaking, boetedoening of doorzettingsvermogen
  5. Astikya – geloof in het hogere Zelf of opperste wezen
  6. Isvarapujana – het aanbidden van het opperwezen
  7. Siddhanta sravana – de geschriften bestuderen
  8. Mati – wilskracht of spirituele intelligentie
  9. Japa – het reciteren van mantra’s of bezweringen
  10. Hri – nederigheid, schaamte of bescheidenheid

“Yama’s” Beperkingen die samen de code van goed gedrag vormen
zoals voorgeschreven door de Upanishads.

  1. Ahimsa of Niet-Letsel
  2. Satya of Waarachtigheid
  3. Asteya of Niet-stelen
  4. Brahmacharya of Seksuele Zuiverheid
  5. Kshama of Geduld
  6. Dhriti of Standvastigheid
  7. Daya of Mededogen
  8. Arjava of Eerlijkheid
  9. Mitahara of Matig Dieet
  10. Saucha of Zuiverheid

Over onze samenleving.

“Niemand,” had Henk destijds tegen mij gezegd, “geen enkele partij, geen enkele levensbeschouwing of beweging, kan het zich veroorloven van meet af aan het absolute kwaad te verkondigen. Omdat de meeste mensen niet fundamenteel slecht zijn! Ze zijn dom, egoïstisch en tactloos. Maar niet kwaadaardig. Daarom zou het niet mogelijk zijn een grote menigte voor zich te winnen met een herkenbaar slecht programma. Bijgevolg hebben alle ismen en ideologieën die ooit hebben bestaan, of het nu de katholieke kerk of het communisme was, de mensen eerst moeten aanspreken met goedbedoelde en fatsoenlijke stelregels.” Dit gesprek had plaats in zijn grote flat waar hij als weduwnaar alleen woonde. Het appartement bevond zich in een oud huis in de Fürstenberger Straße, in de buurt van het Grüneburger Park, en vanuit het raam kon men de prachtige bomen en de uitgestrekte weiden van het park zien, en de hoogbouw die erin was verrezen. Deze flat was veel te groot voor Henk, hij heeft niet alle kamers gebruikt. Hij had hier al met zijn vader gewoond tot zijn vader dertig jaar geleden stierf. Henk verzamelde oude partituren en had een grote bibliotheek met biografieën van musici, werken over de geschiedenis van de muziek en interpretaties van alle belangrijke composities. Hij had de grootste platencollectie die ik kende en een ingewikkeld stereo luidsprekersysteem. Hij had nog steeds zijn cello, en soms als ik hem bezocht speelde hij voor mij. Zijn favoriete componist was de Zwitser Othmar Schoeck. Hij hield meer van hem dan van wat dan ook, hij was natuurlijk lid van de Othmar Schoeck Society en bezat alle platen van opnamen van Schoeck’s muziek.

Op de dag dat hij mij toesprak over de menselijke boosaardigheid en het menselijk kleinschalig denken, klonk uit de stereoluidsprekers in zijn muziekkamer het Concerto in Bes-groot voor viool en orkest (>Quasi una fantasia<), geschreven in 1911 – 1912. Het was geen concerto in de ware zin van het woord, maar eerder de monoloog van een viool begeleid door het orkest, waarbij hoorn, klarinet en hobo de boventoon voerden. De muziek klonk door de prachtige kamer met zijn Empire meubilair. Ik zat tegenover Henk, die aan zijn pijp zat te zuigen en luisterde naar de muziek van zijn favoriete componist en hemzelf. Het eerste deel klonk. Romantiek à la Eichendorff. Zo kwam de introductie. De roep van de hoorn klonk als uit wonderbaarlijke bossen. Alsof de maan opkwam, klonk een GES majeur snaar akkoord. En daar was de viool, de dromende viool! Het steeg boven alle andere instrumenten uit, weemoedig treurend om een liefde, een betoverde liefde, al lang voorbij, voorbij, verloren … .

Henk zei: “Het wordt mij steeds duidelijker, jongen, dat bepaalde mensen mooie, juiste en edele begrippen alleen gebruiken om hun eigen belangen te behartigen. Ik begrijp niet waarom zo weinigen het begrijpen. De stelregels dienen deze mensen. Maar deze mensen dienen nooit hun stelregels! Zij zouden moeten leven volgens hun eigen overtuigingen – synton, zoals ze in de psychiatrie zeggen – maar dat doen ze nooit. Ze gebruiken hun vermeende overtuigingen agressief, om macht te krijgen, om geen andere reden … .”

De viool zong. Hard probeerde een allegro te onderbreken, maar het werd verdrongen door de roep van de hoorn. De hoorn was één met de viool in zijn verdriet. Plotseling schalde er een intermezzo van hoge en lage strijkers. Toen was de viool weer alleen met zijn liefde, zijn herinnering, zijn verlangen.

Henk zei: “Het hangt altijd af van het motief van waaruit men richtinggevende of geloofsformuleringen gebruikt. De motieven, God helpe ons en onze wereld, waren en zijn te allen tijde slecht. De zinnen waren het niet, konden het niet en mochten het niet zijn! Hoe hadden zij anders de massa’s kunnen grijpen, wegvoeren, opwekken, tot meegaandheid en offerbereidheid kunnen brengen? Dat, Walter, zie je, is de grootste misdaad die ooit tegen de mens is begaan – in alle tijden, onder alle regimes: dat ze werden aangegaan met concepten en kwaliteiten en wensdromen die vanaf het begin – als we hun corrupte, criminele initiatiefnemers vergeten – absoluut goed waren, goed moesten zijn!”

De wilde gevoelens van het eerste deel bedaarden, de recapitulatie kwam, behoedzaam, zachter, meer beheerst. Ik keek uit het raam, het was september, en de bomen en struiken gloeiden rood en goud, geel en bruin, en in een nu al onaardse pracht nog eenmaal voordat ze zouden vallen en sterven.

En ik hoorde Henk zeggen: “Het is grotesk, en iedereen vermijdt het er nu over te hebben, maar ik wel: Dat iemand eerlijk, trouw, moedig, atletisch, gehard en gezond is, daar is echt niets op tegen, bij God. Maar het feit dat mensen die zulke dingen verkondigen en willen zijn, vervolgens zes miljoen Joden vermoorden en hun tanden uitbreken en lampenkappen van hun huid maken en verantwoordelijk zijn voor de grootste oorlog aller tijden en voor naamloze ellende en lijden – dat toont bijzonder duidelijk aan hoe leugenachtig deze mentaliteit was, hoe diep duivels en kwaadaardig. Maar dat wil nog niet zeggen dat je de kwaliteiten die ik noemde ook in één keer slecht en duivels kunt noemen! Je kunt nooit zeggen dat moedig en trouw, durf, eerlijkheid, oprechtheid en opoffering slechte eigenschappen zijn! Dat zijn goede kwaliteiten!” “Je sluit de nazi’s niet uit?” riep ik, geschrokken. “Maar de nazi’s waren echt criminelen, Hem! Je kunt niet … .” “Rustig aan,” zei hij, “rustig aan, jongen. Natuurlijk waren het criminelen. De grootste. Maar zelfs zij hadden het goede in hun programma ingebouwd, in hun ideologie, moesten het inbouwen. Ze konden niet gewoon zeggen: ‘Wij willen oorlog! We willen de Joden uitroeien en zo en zo veel volkeren ! Dat werkte gewoon niet. Dat zou niet gewerkt hebben!” “Maar in het partijprogramma hadden ze het al over leefklimaat en raszuiverheid, en toen waren ze al schaamteloos antisemitisch!” “Ik weet wat een gek programma dat was. Maar het was ook een gekke tijd, jongen! Ik wil je alleen bewijzen dat zelfs de grootste misdadigers niet voor het volk durfden te verschijnen zonder de propaganda van goede, fatsoenlijke doelen… >vrijheid en brood< … >werk voor iedereen< … >zuiverheid en orde< … .” “En de Joodse kwestie?” “Dat was bijzonder hels,” zei Henk. “Daar kom ik later op terug. De nazi’s wilden het Duitse volk aanspreken en noemden de Joden eenvoudigweg on-Duitsers. Als reactie daarop verkrachtten prompt de trouwe, eerlijke en dappere discipelen van de Zonnegod Joodse meisjes en sneden ze vervolgens in stukken! De eerbiedwaardige geestelijken verzonnen op een of ander concilie ik weet niet hoeveel honderd soorten ontucht, werden vervolgens in de biechtstoel urenlang geil van het opbiechten van de meisjes en verleidden hen tenslotte … . Maar dat is niet de reden waarom de Morag termen op zichzelf verworpen moeten worden! Dat is de grote verwarring die zich in onze tijd telkens weer voordoet. Realiseer je je dat nu?”

“Ja, Henk,” zei ik. Het >graf< van het tweede deel begon hopeloos en duister. Een orgel. Houtblazers. Ze probeerden de duisternis te bestrijden. En daar was de soloviool weer, en het klonk werkelijk alsof het instrument huilde, huilde om een liefde die niet meer bestond. En de herfstzon liet de kleurrijke bladeren van het Grüneburger Park prachtig gloeien … .

Henk zei: “Je kunt, zoals alles, ook het leidende beginsel van vrijheid perverteren! Dit is sinds onheuglijke tijden met alle ideologieën gebeurd en gebeurt ook nu nog – in het Oosten en in het Westen! De nazi’s deden het tegenovergestelde van wat ze predikten! Zij lieten hun jeugd, zo zuiver, sterk en dapper, zinloos met miljoenen op de slagvelden sterven, zodat Goering, dat varken, zijn kunstwerken bij elkaar kon stelen en zichzelf met zijn morfine kon inspuiten en Goebbels met alle filmactrices naar bed kon en Hitler, die afschuwelijke psychopaat, van een kleinburgerlijk bestaan kon uitgroeien tot dat van een god! Kijk naar het communisme! Ik onderschrijf haar stelregels voor honderd procent! Wat komt dichter bij een religie dan communisme? Vrijheid! Gelijkheid! Broederschap! Afschaffing van alle bezit dat niet door het individu is verworven! Wat kan er mooier zijn? En waar zijn de vijfentwintig miljoen die het leven verloren in Stalins zuiveringen? Of, alsjeblieft, noem me een mooiere zin dan >Love your neighbor as yourself<! En welke onderdrukking, welke verschrikking, de dood van hoeveel miljoenen hebben de kruistochten en de inquisitie teweeggebracht? Welke enorme schuld heeft de Kerk op zichzelf geladen? En dat allemaal in de naam van het kruis, in de naam van God!” “En hoe zit het met de anderen? Met de democratieën?” vroeg ik. “Een democratie is geen ideologie,” zei Henk. “Maar daarom gaat mijn theorie hier ook op. Met één klein voorbehoud: als een democratie zeer oud en stevig gevestigd is – zoals in Engeland – dan is het zelfs voor de meest corrupten moeilijk om haar te vernietigen. Maar ze slagen er wel in. Ze hebben het gewoon moeilijker – dat is het hele verschil. Kijk er eens naar, de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring!” Hij citeerde: “Wij beschouwen de volgende waarheden als vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk zijn geschapen; dat zij door hun schepper begiftigd zijn met bepaalde onvervreemdbare rechten; dat daartoe behoren Leven, Vrijheid en het nastreven van Geluk … !< – Prachtig, hè? Prachtig, hè? Alle mannen zijn gelijk geschapen! En wat gebeurt er met de zwarte mensen in de VS? In hoeverre hebben corruptie, geweld en criminaliteit deze democratie reeds ondermijnd? Het recht op geluk! Wie geeft er om de miljoenen miserabele mensen? Een paar honderd families in Amerika bezitten driekwart van de rijkdom van deze aarde! Het recht op leven! En als je door Central Park loopt, zelfs overdag, moet je verwachten dat je vandaag vermoord wordt! Nergens ter wereld is er zo’n misdaad! Wat is er gebeurd met de moordenaar van Kennedy? Wat is er gebeurd met de moordenaar van Martin Luther King? Vrij en onafhankelijk geboren! En wat is er aan de hand in Vietnam? Die daar de Viet Cong afslacht als vee in een oorlog die nog niet eens verklaard is, omdat hij de vijand slechts als vee ziet, als ongedierte dat uitgeroeid moet worden, net zoals de nazi’s de >Untermenschen< hebben uitgeroeid en vernietigd… . Het is hetzelfde, het is altijd hetzelfde, overal en altijd en op alle plaatsen,” zei Henk.

De tweede zin. Daarin klonk angst, ongeluk, vergeefs zwoegen. Het hoofdthema kwam opnieuw – nog steeds vol hoop, in tegenstelling tot de droefheid en klaagzang van de inleiding. Daar! Een vreugdevolle passage in B-groot overrompelde alles, en als om zichzelf te verlossen, te bevrijden en te ontlasten, deden de viool en de klarinet vrolijk mee.

“Kijk naar de programma’s van de zwarten en de sociaal-democraten,” zei Henk. “Hoeveel verschillend zijn ze echt? Nauwelijks. Want in onze tijd zijn er geen andere programma’s dan die welke een verbetering willen bevorderen van de sociale structuur, de volksgezondheid, de welvaart, de veiligheid, de monetaire stabiliteit en de culturele ontwikkeling! Vandaag is het voor iedereen, van de schoenpoetser tot de algemeen directeur, duidelijk wat alleen kan! Wie zal in zijn programma verklaren: “Wij laten de kinderen niet turnen, omdat wij willen dat zij een dikke buik hebben< ? Of als een partij verklaart: >Wij propageren het roken van hasj<, dan worden ze de laan uitgestuurd! Dus de programma’s zijn vrij onbeduidend geworden! Ze worden nooit vervuld! Het zijn niet meer dan de slogans van reclamebureaus, bedoeld om groepen ijskoude egocentristen en egoïsten aan de macht te houden … .

Luister, dat is het hoofdthema van de laatste zin die hier naar voren komt, maar het laat zich niet gelden. Het onderdrukte lijden komt in volle hevigheid naar voren. Daar, nu zijn we in B flat mineur, en wat volgt is zoiets als een liefdesmonoloog die je bijna in woorden zou kunnen vatten, voel je? Er is ongelukkigheid en angst … . En daar, in het derde deel, komen opnieuw de liefdesherinneringen van de inleiding … .” Henk had lang geluisterd naar de muziek van dit genie.

Toen zei hij in gedachten: “Het is helaas zo dat de bevestiging van de doelstellingen van een partij uiteindelijk alleen mogelijk is voor een primitief type dat noch de intelligentie, noch de rijpheid heeft om de situatie werkelijk te doorzien. Daarom zal dit type, eenmaal aan de macht, onmiddellijk de tijdfactor inschakelen! Hij zal zeggen: Nu moet ik, om aan de macht te blijven, alle politieke tegenstanders zo snel mogelijk uitschakelen, alle posten met mijn mensen vullen en – zie je wel – in mijn programma verrotte compromissen sluiten en tot een schijnakkoord komen met groepen die op zichzelf vijandig zijn – of het nu met de kerk is, of met de communisten, of met de nazi’s, of het nu met de haviken of met de duiven is, met democraten of republikeinen , alleen maar opdat ik aan de macht blijf! En door dit primitieve mechanisme zullen alle systemen uiteindelijk, bij wet, nooit de belangen vertegenwoordigen van de goeden, de fatsoenlijken, de armen en de kleinen. Alleen de machtpool zal steeds ondersteund worden. Begrijp je dat? Ik knikte. “De primitieve roept: >Wij moeten aan de macht blijven”< De partijleden roepen: >Ja”< De primitieve heeft zijn handen vol aan het elimineren of zelfs liquideren van hen die gevaarlijk voor hem kunnen zijn, met wie geen smerige compromissen kunnen worden gesloten. Je vraag van eerder – de Joden! Hitler en zijn gangstermaatjes wisten dat de Joden slimmer waren, dat zij een oudere cultuur bezaten – wat zeg ik ouder, cultuur is genoeg, de nazi’s hadden er helemaal geen! – dat ze macht bezaten dankzij slimheid. Het was dus te verwachten dat de Joden Hitlers aartsvijanden zouden zijn, dat zij hem ten val zouden en moesten brengen! Dus Hitler voorzag hun strijd in het partijprogramma als een stimulans voor het gepeupel, en, eenmaal aan de macht, vernietigde hij de Joden! De Katholieke kerk wist heel goed dat zij bedreigd werd door de intelligentsia. Dus: dood ze snel, roei het gepeupel uit – ook al waren het er vele duizenden! Stalin wist dat de intellectuelen, dat iedereen die onafhankelijke socialistische gedachten ontwikkelde, een dodelijk gevaar voor hem vormde. Dus: dood ze, roei ze uit! Zelfs als het vele miljoenen waren! De Amerikaanse patentdemocraten vreesden dat hun corruptie en uitbuitende economische methoden aan het licht zouden komen. Dus: de heksenjacht van mr. McCarthy! Iedereen die niet voor de warmbloedige held van de Nieuwe Wereld was, iedereen die de geringste twijfel uitte, moest worden vervolgd, was een … .” “Communist,” zei ik. “Dat klopt, een communist. Hij moest opgesloten worden, hij moest een werkverbod krijgen, hij moest geëlimineerd worden. Uit deze domheid, uit deze imbeciliteit, uit deze bekrompenheid, deze lage manier van denken, komen alle misdaden van onze aarde voort. Bekrompenheid is het ongeluk, niet het fundamentele kwaad van de mens … .”

Terwijl ik dit schrijf, hoorde ik dat de kinderen in het park Vrchlického sady in Praag speelden, lachten en schreeuwden, net zoals in de parken van Moskou en Rome, van New York en Warschau, van Peking en Johannesburg.

Henk zei: “Het is zo, het was zo, het zal altijd zo zijn, dat afzonderlijke mensen of groepen mensen een leer hanteren die op zichzelf juist is – er zijn er maar een paar, waarschijnlijk de grote godsdiensten, niet hun uitdragers, die sluit ik uit! – en vervolgens misbruiken om hun eigen macht te ontwikkelen. O, en de tegenbewegingen van vandaag over de hele wereld, onder alle regimes en in de kerk, die zeggen wat ik net heb gezegd, die gaan blindelings verder, zien spoken, en gooien het kind met het badwater weg, en vernietigen het laatste van wat goed! Onervaren in de feitelijke omstandigheden, onnadenkend en revolutionair, slaan de nieuwe profeten naar rechts en naar links en laten alles kapotgaan wat deze wereld nog bijeenhoudt …!

Vrijheid! Vreugde! Tenminste in een intermezzo. De viool zong gelukzalig, de houtblazers jubelden mee… .

Henk zei, “Waarom heb ik het hierover? Waarom moet ik er de hele tijd aan denken? Omdat ik en jij en wij allemaal elke dag met dit fenomeen te maken krijgen – op een kleine manier.” “Je bedoelt bij BLITZ?” “Bij BLITZ, ja,” zei hij verdrietig. “Er was de tijd van het begin, de tijd zonder ideologieën en stelregels en computers.”

“Een mooie tijd,” zei ik. Weg was het geluk en de vrijheid voor de viool. Wanhoop, verdriet en lijden kwamen naar voren. En de viool, de viool zong, zong in de gevangenis van zijn herinneringen en zijn verlangen. “Een goede tijd,” zei ik weer.

Henk knikte en zoog aan zijn pijp. “Omdat we geen ideologie hadden,” zei hij, “geen schema’s, geen dogma’s. Vandaag kunnen we de schoonste en beste onderwerpen ter wereld kiezen. Op het moment dat wij ze in woorden en beelden omzetten binnen het kader van dit apparaat, zijn ze bedorven, allemaal! Kijk naar je eigen reeks triomfen. Wat is er eigenlijk mis met zinnige seksuele voorlichting?” “Niets,” zei ik. “Niets,” zei hij. “In ons communicatietijdperk zou een dergelijke seksuele voorlichting van harte worden toegejuicht – ware het maar, en hier zijn we dan, dat de hele onderneming niet van meet af aan was opgezet om de heer Herford en zijn oudje krom en kreupel te laten verdienen!” “En ik ook,” zei ik. “En jij ook, en ik ook, en wij allemaal ook,” zei Henk. “In de bijbel die Herford zo graag leest, staat: Als u niet tot bezinning komt, zult u allen omkomen. Hij schudde zijn hoofd, “We zullen niet nadenken. Niemand. Niemand in deze wereld. Niet wij kleintjes, niet de groten. We zullen allemaal ten onder gaan.”

Het volle orkest begon, nog eenmaal verzamelde de viool al zijn kracht in een tragische opstand, dan, het hart beroerend, vervaagde zijn laatste afscheid.

Het was een grote stad met veel mensen, en de stad was omsloten door machtige muren, niemand kon de stad verlaten, en binnen de muren waren er vier enorme torens die hoog in de lucht rezen. En boven op de torens stonden monsterlijk hoge figuren die onophoudelijk hun dreunende stemmen lieten klinken. En door de straten van de machtige stad liep Fräulein Louise aan de zijde van haar lieveling, de dode rijksarbeidsdienstman en oud-filosofiestudent uit Rondorf bij Keulen. En Fräulein Louise was heel blij dat de leerling bij haar was, want zij voelde zich verloren en zonder bescherming in de oneindig grote stad.

En de gestalte op de eerste toren riep uit: “Komt tot mij, allen die vermoeid en belast leven! Jullie zijn allemaal gelijk geboren! Jullie hebben allemaal gelijke rechten! Jullie hebben allemaal dezelfde bescherming tegen honger, gebrek en angst! Streef naar geluk! Houd vast aan de idealen van rechtvaardigheid, matigheid, onthouding, bescheidenheid en deugd!” Maar het volk dat voorbij snelde was geenszins gelijk geboren, bezat geenszins dezelfde rechten en dezelfde bescherming tegen honger, nood en vrees, en van rechtvaardigheid of deugd was weinig te bespeuren. Integendeel, er waren armen en rijken, gekleurden en blanken, onderdrukkers en onderdrukten, uitbuiters en uitgebuiten, misdadigers en slachtoffers, vervolgers en vervolgden. En Fräulein Louise vroeg haar vriend: “Wie schreeuwt daar op de eerste toren?” En de student antwoordde: “Dat is de woordvoerder van de democratie.”

En de figuur op de tweede toren raasde: “Vervloekt zijn alle zondaars die zich overgeven aan vleselijkheid! Vervloekt zij voor eeuwig en altijd, en brandend in de vuren der hel, allen die in hun zinnen en begeerten uitleven wat te maken heeft met seks en met alle andere aardse driften!” En de mensen die zich langs Fräulein Louise haastten, bogen het hoofd, en in hun gezichten waren angst en schuld te lezen. En Fräulein Louise vroeg haar vriend: “Wie schreeuwt daar op de tweede toren?” En de student antwoordde: “Dat is de leider van de christenen.”

En de figuur op de derde toren donderde: “Vecht voor de dictatuur van het proletariaat! Vernietig het kapitalisme! Streef naar corruptie en immoraliteit! Bouw de zuivere staat van arbeiders, boeren en intellectuelen!” En de mensen bogen hun hoofd in bitterheid en angst, en niemand durfde Fräulein Louise aan te kijken, en zij vroeg de student: “Wie is dat die op de derde toren staat?” En de student antwoordde: “Dat is de leider van de communisten!”

En zij liepen door eindeloze straten en hoorden de reusachtige figuur op de vierde toren brullen: “Wees moedig en sterk en bereid uw leven te geven voor het vaderland! Vernietig het gebroed van het Joodse kwaad! Laat zuiverheid en eer je doel zijn in het leven voor de toekomst van je volk en het geluk van je kinderen!” En de mensen doken nog lager en haastten zich nog sneller, en hun gezichten weerspiegelden de vastberadenheid van de terreur en de angst waaronder zij gebukt gingen, en Fräulein Louise vroeg de student: “Wie is het die op de vierde toren staat?” En de student antwoordde, “Het is de leider van de Fascisten!” En er was een grote ellende over deze stad, want Fräulein Louise zag hoe al haar mensen leefden onder de druk van de vier machtigen op de torens en niet in opstand durfden te komen en in gevangenschap en slavernij verkeerden. En Fräulein Louise voelde zich hierover zeer bedroefd … .

Zo begon een droom die Luise Gottschalk had in de lege coupé van een passagierstrein die van Rotenburg naar Hamburg vertrok, drie kwartier nadat zij uit de Keulse trein was gestapt. De trein was nog bijna leeg en stopte heel vaak. Fräulein Louise had zich vast voorgenomen om koste wat kost wakker te blijven, want zij wist dat zij nu voorzichtig moest zijn, veel voorzichtiger dan voorheen. Maar haar vermoeidheid was sterker en spoedig sliep zij en beleefde deze vreemde droom. Later vertelde zij mij daarover en over wat haar in Hamburg is overkomen – wat ik nu opschrijf. Ze zei: “Het was een vreselijke droom. En zo eng. En ik weet niet eens meer precies of ik het gedroomd heb, of ik het echt gezien heb. Toch was het zeker een genade voor mij dat ik het mocht meemaken… .” “En wat gebeurde er daarna?” vroeg ik.

Fräulein Louise zei dat zij het zich nog precies herinnerde, en dat het haar zeker was toegestaan in de toekomst te kijken. Het volk kon plotseling zijn verschrikkelijke onvrijheid en de verschrikkelijke stemmen van de vier machtigen niet langer verdragen. Deze stemmen werden zwakker, toen werden ze overstemd door de kreet: “Vrijheid!” En deze schreeuw van één werd de schreeuw van honderdduizenden, van miljoenen: “Vrijheid! Vrijheid! Vrijheid!” En er brak een revolutie uit in de omsloten stad, en de Fräulein Louise en de leerlinge waren er getuige van, en Fräulein Louise zag hoe groepjes mensen als mieren de vier hoge torens beklommen. Talloze mensen vielen, maar er volgden er steeds meer, en ten slotte bereikte de massa de sokkels waarop de vier heersers stonden. En de massa’s weerloze mensen vielen de tirannen aan, en er ontstonden wilde gevechten, en lichamen vlogen bij duizenden door de lucht, terwijl de heersers terug vochten, maar ten slotte waren de wanhopigen de overwinnaars, en zij wierpen de tirannen van hun torens en sloegen hen met zware stenen neer.

Een geweldig gejuich ging op toen de heersers dood waren, en de miljoenen vielen nu aan tegen de muren die de stad omringden, en onder deze aanval stortten de muren in, en de massa’s stroomden de stad uit, terwijl hun roep opsteeg naar de hemel: “Vrijheid!” En Fräulein Louise en de student werden door de razernij meegesleept en struikelden over de resten van de muren, voor de stad uit. En Fräulein Louise dacht: Eindelijk zullen de uitgebuitenen hun beloning vinden, de angstigen vrede, de onderdrukten gerechtigheid, de geslagenen en geknechten verlossing, de ellendigen medelijden, de verlatenen troost. Maar zelfs terwijl zij dit dacht, hoorde zij geschreeuw uit de menigte en zag zij groepen mensen in de menigte, meer en meer, meer en meer, en zij hoorde meer en meer geschreeuw. “Nu heb je vrijheid, maar zul je in je eentje je weg erin kunnen vinden?”

“Nee, dat doe je niet!”
“We moeten je helpen!”
“We zullen je laten zien hoe je in vrijheid kunt leven!”
“Wij zullen u verkopen wat u nodig hebt in vrijheid!”

“Door ons, zal uw vrijheid het paradijs zijn!”

En de miljoenen, die juist in het bezit van de vrijheid waren gekomen, vergaten alle dromen, die zij in de hel van hun stad hadden gedroomd, en nu werden hun nieuwe dromen verkocht door hen, die onder elkander schreeuwden. En zij die onder elkaar schreeuwden waren de kooplieden. De kooplieden prezen hun medemensen voor wat zij, nog volkomen hulpeloos en verward, nu zogenaamd nodig hadden, nu zogenaamd van droomden. En dat, schreeuwden de kooplieden, was rijkdom en luxe, liefde en lust, zelf verwennerij, carrière en bezit, roem, succes, kennis, wereldsheid, macht, schoonheid, mannelijkheid, vrouwelijkheid, seks, dronkenschap, avontuur en nog duizend andere dingen. En de mensen, die juist uit de grote slavernij ontsnapt waren, geloofden diegenen onder hen, die de handelaars waren, en zij kochten en kochten en vielen dadelijk in nieuwe slavernij, en Fräulein Louise zag met leedwezen hoe de gezichten der verleidden veranderden, hoe zij vergingen, lelijk werden, verrotten en zich met bulten bedekten als met een pestilentie.

Verminkt door hebzucht waren de gezichten van hen aan wie de kooplieden rijkdommen verkochten, uitgebrand en leeg de gezichten van hen aan wie de kooplieden de wildste orgieën leidden, verzonken en grijs de gezichten van hen die reeds door de kooplieden het slachtoffer van dronkenschap waren geworden. Woest de gezichten van hen die in weelde verkeerden, wreed de gezichten van hen die macht bezaten, versteend de gezichten van hen die een loopbaan hadden, ijdel de gezichten van hen die roem hadden, slecht de gezichten van hen die bezittingen hadden, hooghartig de gezichten van hen die kennis hadden gekocht. En de ophef werd nog uitzinniger, het volk haalde nog meer dromen bij de kooplieden, wier stemmen oneindig veel luider klonken dan de stemmen van de vier heersers daarvoor: “Koop, gij volk, koop! Koop! Koop! Koop!” En de mensen kochten en kochten en kochten. Maar alles wat zij kochten was nietig. Want de kooplieden hadden hun niets dan dromen verkocht.

Henk was mijn kamer binnengekomen terwijl ik deze laatste pagina’s schreef. Hij had alles gelezen. Nu zei hij, “Wat een droom.” En hij zoog aan zijn pijp en blies een wolk tabaksrook uit en staarde naar de pagina’s die ik helemaal had overgetypt en zei: “De handelaren. De droom-verkopers. Wij, jongen, wij bij BLITZ, zijn niets anders. Wij nemen de mensen aan die in hun wereld leven als in een gevangenis, als achter hoge muren, de mensen die vrijheid willen, absolute vrijheid, en wij verkopen hen – wat? Dromen van vrijheid.” “Dat was een droom van Fräulein Louise,” zei ik. “Ze was bang. Bang voor de enorme stad Hamburg. Bang voor wat er met haar zou gebeuren in deze vreemde reuzenstad.” “Het was meer,” zei Henk. “Er is altijd meer met uw Fräulein Louise. Ze heeft onbewust iets begrepen wat bijna altijd alleen de verkeerde mensen begrijpen.” “Namelijk wat?”

“Namelijk, dat de roep om absolute vrijheid tot dwaling leidt, net zoals de roep vanuit de vier torens dat deed. Mensen zijn nog te onvolwassen voor absolute vrijheid. Zij die dit weten, zoals de handelaars, kunnen hen telkens weer tot slaaf maken, hen in de slavernij van de informatie en de dwang tot consumeren en proeven brengen, en hun mateloze zaken met hen doen. Als de mensen echt volwassen waren, zouden ze zich eerst en vooral bevrijden van ons, de handelaars. Maar dat zijn ze niet, en daarom kunnen ze niet … .! “Wij handelaren, wij droomverkopers,” zei ik. “Wat zijn we aan het doen? Wij – en wij zijn geen haar beter dan Lester, Herford en Stahlhut, wij zijn even schuldig – onderzoeken op ingenieuze wijze hoe wij het best naar de mond van het volk kunnen schrijven, doelbewust en zonder scrupules de laagste instincten volgend, want die zijn altijd het sterkst. Wij weten dat meer dan de helft van onze bevolking de voorkeur geeft aan kunstmatige idylles boven echte informatie over de wereld waarin zij leven. We zijn dit arme volk systematisch aan het afstompen. Hoe wilt je van mensen die onze onzinverhalen over – bijvoorbeeld – de absurde nep problemen van de vorstenhuizen verslinden, volwassen politieke mensen maken?”

“Dat wil je ze niet maken,” zei Henk. “Dat is waarom we hen deze verhalen voorschotelen. In ons tijdperk van steeds perfectere communicatie is de massa steeds meer aangewezen op informatie uit de tweede hand. En wij manipuleren dat! We verklaren een onherstelbaar ingewikkelde wereld in gruwelijke vereenvoudiging. Dit zijn de dromen die we verkopen! Wij verkopen de >simpele man< en de >simpele vrouw< een permanente ontsnapping aan de realiteit. En onszelf gerust te stellen: Zijn we hier eigenlijk niet goed mee bezig? Is het dagelijkse leven niet hard en wreed genoeg? Verdienen de eenvoudige man en de eenvoudige vrouw hun ontsnapping niet? En wat de schijnproblemen van de koningshuizen betreft: waren – afgezien van uw reeks Verlichting – de grote series over keizers en koningen niet onze grootste successen? Hebben we de monarchie niet jarenlang als ideaal verkocht?” “Het heeft te maken met ons nationale karakter,” zei ik. “Het bevredigt onze behoefte aan onderdanigheid, ons verlangen naar vrijwillige dienstbaarheid.”

“Nee,” zei Henk. “Ik denk dat dat anders is Wij verkopen geen bevrediging van de behoefte aan onderwerping, maar een van die genealogische behoefte. Wij verkopen de droom dat een gezin altijd zal blijven bestaan, dat het groot en waar is, dat het niet kan vergaan. Wij verkopen de droom van een leven in pracht en praal! Farah Diba en Fabiola! Huwelijksverhalen van de rijken! We haten de droom van de held. Filmhelden, sporthelden, beroemdheden in het algemeen! Met al dergelijke verhalen sussen wij de kopers van onze dromen, en zo vergeten zij alle verdriet over hun eigen familie, over de onzekerheid van hun eigen omstandigheden, waar steeds meer mensen bang voor zijn. We wentelen alle zorgen van de massa af op gezonde symbolische figuren. De waarheid gaat natuurlijk verloren in het proces. Maar de lezer is opgelucht. Hij wanhoopt niet. Voorlopig. We verkopen anti-verval dromen … . Henk legde een hand op mijn schouder en zei: “Blijf schrijven, Walter. Haast je. De tijd dringt. Schrijf het allemaal op, allemaal.”

“Ja, Henk,” zei ik. En bleef schrijven.

Citaten uit “De stof waarvan dromen gemaakt zijn”
van Johannes Mario Simmel (1924-2009).